Veel gestelde vragen en golftermen
50 veel gebruikte golftermen en uitleg:
- Afslagplaats (Tee): De plek waar de eerste slag van een hole wordt gespeeld.
- Fairway: Het goed onderhouden deel van de golfbaan tussen de afslagplaats en de green.
- Green: Het kort gemaaide grasgebied rondom de hole waarop de vlag zich bevindt.
- Hole: Het doel van elke golfbaan, gemarkeerd door een vlag in een hole op de green.
- Par: Het aantal slagen dat een ervaren golfer nodig zou moeten hebben om de hole te voltooien.
- Birdie: Het behalen van een score die één slag onder par is op een hole.
- Bogey: Het behalen van een score die één slag boven par is op een hole.
- Handicap: Een numerieke maatstaf voor de relatieve vaardigheid van een golfer.
- Putt: Een slag op de green met als doel de bal in de hole te krijgen.
- Chip: Een korte, lage slag, meestal rond de green, om de bal dichter bij de hole te plaatsen.
- Bunker: Een zandtrap op de golfbaan.
- Rough: Het hogere, ongemaaid gras langs de fairway en rond de green.
- Slice: Een slag waarbij de bal een sterke bocht naar rechts maakt voor rechtshandige golfers (naar links voor linkshandige golfers).
- Hook: Een slag waarbij de bal een sterke bocht naar links maakt voor rechtshandige golfers (naar rechts voor linkshandige golfers).
- Divot: Het stuk gras dat wordt uitgesneden bij een slag.
- Caddie: Een persoon die de golfer helpt door zijn tas te dragen en advies te geven.
- Approach shot: Een slag die naar de green wordt gespeeld vanaf de fairway.
- Sand wedge: Een specifieke golfclub ontworpen voor het spelen van slagen uit de bunker.
- Putter: Een golfclub die voornamelijk wordt gebruikt op de green voor putts.
- Irons: Een set golfclubs met metalen koppen, genummerd van 1 tot 9, ontworpen voor verschillende afstanden.
- Woods: Een set golfclubs met grote koppen, zoals de driver en de fairway woods.
- Driver: De golfclub met de grootste kop, gebruikt voor de langste slagen vanaf de tee.
- Hybrid: Een golfclub die ontworpen is als een combinatie van een iron en een wood.
- Albatross: Het behalen van een score die drie slagen onder par is op een hole.
- Condor: Het behalen van een score die vier slagen onder par is op een hole.
- Mulligan: Een informele term voor het opnieuw slaan van een slechte slag zonder straf.
- Stance: De positie van de voeten en het lichaam bij het voorbereiden op een slag.
- Grip: De manier waarop de golfer de club vasthoudt.
- Shaft: Het lange gedeelte van de golfclub tussen de grip en de clubhead.
- Loft: De hoek van de clubface die invloed heeft op de hoogte van de balvlucht.
- Lie: De hoek tussen de zool van de club en een verticale lijn.
- Fade: Een slag waarbij de bal een kleine bocht naar rechts maakt voor rechtshandige golfers (naar links voor linkshandige golfers).
- Draw: Een slag waarbij de bal een kleine bocht naar links maakt voor rechtshandige golfers (naar rechts voor linkshandige golfers).
- Hazards: Algemene term voor bunkers en waterpartijen op de golfbaan.
- Water hazard: Een gebied op de golfbaan dat bedekt is met water, gemarkeerd door gele paaltjes of lijnen.
- Out of bounds (OB): Een gebied buiten de grenzen van de golfbaan, waar de bal niet mag liggen.
- Drop: De handeling van het opnieuw plaatsen van de bal na een onspeelbare situatie, zoals een waterhindernis.
- Provisional ball: Een extra bal gespeeld in het geval de oorspronkelijke bal niet kan worden gevonden.
- Fourball: Een golfspelformat waarbij twee teams van twee spelers elk tegen elkaar spelen.
- Match play: Een spelformat waarbij de score wordt bijgehouden per hole in plaats van totale slagen.
- Stroke play: Een spelformat waarbij de totale slagen over de gehele ronde worden geteld.
- Stableford: Een puntensysteem waarbij spelers punten verdienen op basis van hun score in vergelijking met de par.
- Greens in Regulation (GIR): Het aantal keren dat een speler de green bereikt heeft in het vereiste aantal slagen voor par.
- Up and down: Het voltooien van een hole met één putt nadat de bal naast de green is beland.
- Dogleg: Een hole waarbij de fairway een bocht maakt.
- Ace: Het slaan van de bal in de hole met slechts één slag, ook bekend als een hole-in-one.
- Caddyshack: Een informele term voor een golfershut of clubhuis.
- Links course: Een golfbaan gebouwd op natuurlijk terrein nabij de kust.
- Parkland course: Een golfbaan gelegen in een parkachtige omgeving met bomen en gras.
- Clubhead speed: De snelheid waarmee de clubhead beweegt tijdens de swing, een belangrijke factor voor de afstand van de slag.